Ria Kleijnen en Sui Lin Goei
In dit artikel wordt verslag gedaan van een inventariserend onderzoek naar de rol van de remedial teacher nu en in de toekomst. Opzet en resultaten worden kort beschreven en op basis van de conclusies die daaruit kunnen worden getrokken, worden enkele aanbevelingen voor verdere ontwikkeling gegeven.
Ans van Berkel
De laatste jaren zijn er op verschillende plaatsen in Nederland initiatieven ontwikkeld om kinderen al heel jong kennis te laten maken met Engels. Er zijn projecten waar al in groep 1 met Engels wordt gestart, in andere programma’s start men in een later jaar. Ik denk dat vooral de start met Engels in groep 1 een kans betekent voor dyslectische kinderen.
Een belangrijk kenmerk van dit soort onderwijs is, dat het niet is beperkt tot een uurtje in de week, maar dat verschillende onderdelen van het lesprogramma in het Engels worden gegeven.
Jan van de Craats
Remedial teachers krijgen vaak kinderen met rekenproblemen in hun praktijk die verdwaald zijn in de mêlee aan rekenstrategieën die in de huidige realistische rekenmethodes worden aangeboden. Er is geen enkele methode meer op de markt die op de klassieke manier werkt zoals de meesten van ons het zelf geleerd hebben. In de praktijk grijpen veel remedial teachers terug op die oude kennis als ze rekenzwakke kinderen moeten begeleiden. En dan blijken die kinderen veel houvast te hebben aan een eenduidige aanpak. Rijtjessommen blijken veel leuker te zijn dan volwassenen denken, als je ze goed kunt maken. Inzicht ontstaat bij veel kinderen pas na langdurig oefenen.
Ans van Berkel
In de laatste twee afleveringen van dit tijdschrift zijn artikelen verschenen over het Interventieprogramma Engels voor het Voortgezet Onderwijs dat door het Expertisecentrum Nederlands in het kader van het Masterplan Dyslexie ontwikkeld is. In het juninummer reageerde Rinie Hoeks op het programma. Esther Steenbeek-Planting en Ria Kleijnen kwamen in het septembernummer met een repliek. In het huidige artikel wil ik eerst kort ingaan op de belangrijkste punten in het commentaar van Hoeks en de reactie daarop van Steenbeek-Planting & Kleijnen. Daarna sta ik stil bij wat in het artikel van de laatste twee auteurs de proef op de som heet: de resultaten van het onderzoek naar de werking van het programma.
Corine van den Boer
Taal en rekenen waren jarenlang twee gescheiden vakken. De laatste jaren komt men steeds meer tot het inzicht dat er ook tijdens de rekenles aandacht besteed dient te worden aan de taalontwikkeling van de leerlingen. Deze benadering is bekend onder de naam taalgericht vakonderwijs: tijdens de les krijgen de leerlingen de gelegenheid de taal te ontwikkelen die ze nodig hebben om het vak te leren. Dat gebeurt niet alleen door praten, maar ook door schrijven in de les. Dergelijke taalgerichte lessen worden doorgaans gekarakteriseerd aan de hand van drie kenmerken: contextrijk onderwijs, veel interactie en taalsteun. Genoeg aanknopingspunten voor toepassing op het vak rekenen/wiskunde.
Op het Freudenthal Instituut is onder de naam Wisbaak prototypisch materiaal ontwikkeld voor taalgericht reken/wiskundeonderwijs voor de bovenbouw van het primair onderwijs en de eerste klassen van het voortgezet onderwijs. In dit artikel staan enkele concrete opbrengsten van dit project beschreven.
Joep van Vugt
In de rekenles staat de denk- en rekenwijze (het rekenproces) van de kinderen centraal. De vragen van de leerkracht zijn handelingsgericht en sluiten aan bij de handelingen van kinderen, niet alleen wat bij wat ze doen, maar vooral ook bij wat ze zeggen en denken. Het gaat om zowel zichtbare als onzichtbare handelingen (hoofdrekenen). Om vast te stellen wat kinderen kennen, ben je tijdens de les voortdurend alert op goede (en foute) antwoorden. Hierbij blijft echter het rekenproces zelf buiten beschouwing, omdat in dit geval alleen maar het resultaat geldt. Uitkomsten, zowel goede als foute, kun je op heel verschillende manieren vinden; ze kunnen op heel verschillende handelingen zijn gebaseerd. Alle handelingen zouden in principe goed kunnen zijn, tot een goede uitkomst leiden, maar verschillen in kwaliteit. Sommige handelingen voer je uit op mentaal niveau (uit je hoofd) andere op materieel niveau. Ook verschilt de opbouw van de handelingen, de samenhang en de wijze van uitvoering. Je kunt je afvragen of alle handelingen wel altijd even gewenst zijn, met name als je kijkt naar het moment waarop de handeling voorkomt (is het nog gewenst dat een kind aan het eind van groep 5 de opgave 6 + 7 aftelt door op de vingers te tellen?), omdat de mogelijkheid bestaat tot verder leren en het kunnen verkorten van de handeling (handig rekenen). Door een systematische aandacht voor het handelen van kinderen kun je de verschillen tussen kinderen zichtbaar maken. Sommige leerlingen blijken dan bijvoorbeeld nog moeite te hebben met bepaalde opgaven en deze nog lang niet te beheersen. Ze voeren de handelingen uit die weinig perspectief bieden voor aansluitende onderwerpen en roepen daarmee als het ware de problemen over zich af. Soms gaat het om handelingen die verder leren geheel in de weg staan.
Iris Gebbing en Lex van de Kamp
Op zondag 16 september en maandag 17 september vond in Lissabon een bijeenkomst plaats van ongeveer 75 jongeren uit 26 Europese landen. Het was een bijeenkomst van jongeren uit het voortgezet onderwijs, middelbaar beroepsonderwijs en hoger beroepsonderwijs/universiteit.
Deze bijeenkomst had als doel om de jongeren als deskundigen van hun eigen problematiek aan het woord te laten. De bijeenkomst werd georganiseerd door het European Agency en vond plaats in Lissabon, omdat Portugal momenteel de voorzitter is van de Europese Unie. Enkele jaren geleden vond voor het eerst een soortgelijke bijeenkomst plaats in Brussel.
niet ingelogd